Thema's > Geschiedenis
In de 5e eeuw vestigden Slavische stammen zich in het huidige
Slowakije en uiteindelijk werden zij verenigd in het kader van het Slavisch
koninkrijk van Groot-Moravië.
IN de 10 e eeuw vallen de Magyaren Slowakije binnen en
Groot-Hongarije ontstaat onder het bewind van koning Stephen.
In 1526 leiden de Hongaren een nederlaag tegen de Ottomaanse
Turken en de Hapsburgers grijpen de macht in Opper-Hongarije (Slowakije).
In 1867 wordt de dubbel monarchie van Oostenrijk-Hongarije
formeel gesticht nadat de Habsburgse keizer Franz Josef een compromis sluit met
de voortdurend rebellerende Hongaarse edelen. Slowakije wordt dan opgenomen in
het Hongaarse deel van dit koninkrijk.
Na de ineenstorting van het Oostenrijks-Hongaarse Rijk in 1918
ontstaat de Federatieve Republiek Tsjecho-Slowakije. Zij bezit 70 procent van de
industriële capaciteit van het voormalige Rijk en blijft in het interbellum een
parlementaire democratie. Echter, de Tsjecho-Slowaakse samenleving heeft van het
gebon af aan met spanningen te maken. Deze worden zowel veroorzaakt door de
moeizame incorporatie van de grote Duitse en de kleinere Poolse en Hongaarse
minderheden, als door de wrijving tussen Tsjechen en Slowaken als gevolg van de
grotere economische ontwikkeling van Tsjechië. De depressie in de jaren dertig
treft vooral Slowakije, wat veroorzaakte dat de spanningen toenemen en
separatistische gevoelens versterkt worden.
In 1938 bezet Duitsland het voornamelijk door etnische Duitsers bevolkte
Sudetenland. Een jaar later volgt de rest van Tsjechië. Slowakije word dan een
“zelfstandig” Duits protectoraat.
In 1945 worden Tsjechië en Slowakije door de Sovjetunie bevrijd. Het grootste deel van de Duitse minderheid word op grond van
de “Benes-decreten” verdreven. “München” en de offers van de Sovjetunie in de
strijd tegen de nazi’s dragen dan bij aan de verkiezingsoverwinning van de
Communistische Partij van Tsjecho-Slowakije (CPCS) in de eerste naoorlogse
verkiezingen van 1946. Klemens Gottwald word premier. Aan de democratie werd
echter al snel een einde gemaakt. In 1948 wordt alle oppositie tegen de CPCS
uitgeschakeld en wordt Tsjecho-Slowakije een satellietstaat van de Sovjetunie.
De economische crisis in de jaren '60 leidt tot de roep om vérgaande
hervormingen. In januari 1968 komt een hervormingsgezinde partijleiding onder de
Slowaak Alexander Dubček aan de macht. Dubček introduceert de doctrine van het
“socialisme met een menselijk gezicht”. De censuur wordt grotendeels afgeschaft;
burgerlijke vrijheden werden hersteld. Aan deze “Praagse Lente” wordt in
augustus 1968 een einde gemaakt door de inval van de Sovjetunie en haar
bondgenoten. Dubček wordt dan opgevolgd door Gustav Husak, die de hervormingen
terugdraait en de almacht van de communistische partij herstelt. Er bleef
slechts een kleine maar invloedrijke beweging van dissidenten over, met Vaclav
Havel als belangrijkste vertegenwoordiger. Het regime komt na de ineenstorting
van de zusterpartij in de DDR in 1989 onder grote druk te staan. Na massale
demonstraties en een algemene staking besluit de partijleiding te onderhandelen
met de ‘dissidenten’ onder leiding van Havel. Dit resulteert in de benoeming van
een "Government of National Understanding", waarin niet-communisten de
meerderheid vormden. Dubček wordt gerehabiliteerd en benoemd tot Voorzitter van
de Federale Vergadering. Vaclav Havel wordt dan gekozen tot president. Gezien
het vredige verloop van deze omwenteling wordt wel gesproken over de Fluwelen
Revolutie.
In de hierop volgende jaren belemmeren de verdeeldheid in de Federale
Vergadering en spanningen tussen Tsjechen en Slowaken een effectief bestuur. De
republiek wordt na een stemming in het parlement op 25 november 1992 gescheiden.
Op 1 januari 1993 zijn de zelfstandige republieken Tsjechië en Slowakije
na de zogeheten ‘Fluwelen scheiding’, een feit. Van 1993 tot 1998 stelt
Slowakije zich onder premier Meciar geïsoleerd op. Het bestuur wordt gekenmerkt
door corruptie. De veiligheidsdiensten krijgen een belangrijke rol en de
mensenrechtensituatie was slecht.
Met het aantreden van de regering Dzurinda op 30 oktober 1998 komt een eind aan
het tijdperk waarin de staat greep had op vrijwel alle facetten van het
politieke, economische en maatschappelijke leven. Het eerste kabinet-Dzurinda
bestaat uit vier partijen: SOP en SDL (centrumlinks), SDK (een verbond
centrumrechtse partijen) en SMK (etnisch Hongaars). Vanwege de lijstverbinding
SDK wordt dit eerste kabinet-Dzurinda wel de coalitie van coalities genoemd.
Deze regering voerde een buitenlands beleid, waarbij aansluiting wordt gezocht
bij de Westerse structuren. Het lidmaatschap van de NAVO en de toetreding tot de
EU krijgen dan de allerhoogste prioriteit. Grote vooruitgang wordt geboekt bij
het mensenrechten- en minderhedenbeleid. Discriminerende maatregelen, ingevoerd
onder Meciar, worden ongedaan gemaakt. Met de algehele hervorming van de
bestuurlijke en economische structuren wordt dan een begin gemaakt, waarbij de
administratieve herindeling en de privatiseringen belangrijke stappen waren.
Door de onderlinge politieke tegenstellingen (de coalitie van coalities)
verloopt het hervormingsproces echter trager en moeizamer dan de regering wenst.
De effecten van de hervormingen op het dagelijks leven laten op zich wachten, de
werkloosheid blijft hoog en tegen het eind van de regeringsperiode neemt in het
licht van de naderende verkiezingen de hervormingsbereidheid af.
Tot verrassing van velen bezorgen de verkiezingen van 2002 de christelijke,
liberale en etnisch Hongaarse partijen een krappe meerderheid in het parlement.
In oktober 2002 word dan de centrumrechtse regering-Dzurinda II gevormd, die een
meerderheid van 78 (van de 150) zetels heeft. De grootste coalitiepartner is de
Slowaakse Democratische en Christelijke Unie (SDKU) o.l.v. premier Dzurinda (28
zetels), gevolgd door het 20 zetels tellende Hongaarse blok (SMK) en twee
partijen met 15 zetels: de liberale Nieuwe Burgeralliantie (ANO) en de Christen
Democratische Beweging (KDH. De oppositiepartij HZDS o.l.v. Meciar start in
september 2002 met 36 zetels. In februari 2003 verlaten echter 11
parlementariërs deze partij om een Caucus van Onafhankelijken (KNP) te vormen,
waardoor de sociaal-democratische partij SMER met 25 zetels de grootste
oppositiepartij word. In het najaar van 2003 treden zeven fractieleden uit de
SDKU als gevolg van een conflict tussen premier-partijleider Dzurinda en de
minister van Defensie Simko, dat tot het ontslag van Simko leidt. Door deze
uittreding (en de oprichting van een nieuwe partij door deze fractieleden en
eerder uit ANO uitgetreden parlementariërs: het Vrijheidsforum, SF) verliest het
kabinet de parlementaire meerderheid, al blijkt het SF tot dusver bereid het
kabinet te steunen bij alle belangrijke hervormingsvoorstellen tot nog toe. De
basiswetgeving over de stelselwijziging van pensioenen, de ingrijpende
hervormingen op het terrein van belastingen en gezondheidszorg, evenals de
fiscale decentralisatie worden op die manier een feit.
Bron: Ministerie van Buitenlandse zaken.